Subthema's

Ons beleid

De hoeveelheid geproduceerd afval in Nederland is de laatste jaren stabiel gebleven. De hoeveelheid recycled en hergebruikt afval neemt de afgelopen decennia toe. Steeds minder afval wordt op een vuilstortplaats gestort. 

Mede door een gunstig vestigingsklimaat is de totale capaciteit van afvalverwerkingsbedrijven in de afgelopen jaren fors toegenomen in Groningen. Het verwerken van afval brengt milieuhygiënische-, maar ook met financiële risico’s met zich mee, doorschommelingen van prijzen "aan de poort" en in de verwerkingskosten. De kosten die voortkomen uit een faillissement van een afvalverwerkend bedrijf en het "opruimen" van afval kunnen ten laste komen van de provincie en daarmee van de maatschappij.

Afval speelt een belangrijke rol in de transitie naar een circulaire economie. Door recycling en hergebruik is er minder verspilling en raken de (eindige) grondstofreserves minder snel uitgeput. Door hergebruik van afval wordt ook de uitstoot van CO2 beperkt. Door slim en duurzaam gebruik te maken van het afval, gebruiken we minder fossiele brandstoffen en delfstoffen voor het winnen, bewerken, vervoeren, produceren en consumeren van producten. We streven dus in Nederland en Groningen naar een circulaire economie. Dat houdt bijvoorbeeld in dat het gebruik van materialen binnen de economie meer en meer wordt gebaseerd op hernieuwbare, natuurlijke materialen. Ook proberen we een steeds zuiniger gebruik te bereiken van grond- en hulpstoffen, water en energie, waardoor de hoeveelheid afval steeds minder wordt. Een volledig circulaire economie start met het slim ontwerpen en het gebruik van afgedankte materialen naar producten met een gelijke of hogere waarde.

Provinciale rol

Afvalstromen beperken zich niet tot provinciale en nationale grenzen. Daarom is afvalbeleid vooral landelijk beleid. Het Landelijk AfvalbeheerPlan 3 (hierna LAP3) bevat de doelstellingen van het afvalbeleid in Nederland, waarbij afvalpreventie en afvalbeheer centraal staan. Het vormt de kaders voor traditionele afvalactiviteiten, zoals inzamelen, recyclen, verbranden en storten. Daarnaast bevat het LAP3 doelen en acties om de milieudruk van het afvalbeheer te beperken. Het LAP3 is ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna Wabo) het toetsingskader voor de vergunningverlening aan zowel (afval)bedrijven als stortplaatsen. Ten slotte bevat het LAP3 de capaciteitsplanning en maximale ruimte voor het verbranden en storten van afval in Nederland. We voeren dit LAP3 samen met andere provincies en andere overheden uit. 

Doelstellingen

Naast het LAP3 is het provinciale beleid gericht op de volgende doelstellingen: 

  • minder afval door onder andere afvalpreventie;
  • het behalen van een financiële zekerheid bij de afvalbedrijven waarvoor we het bevoegde gezag zijn en het onderzoeken van de daarvoor nodige maatregelen;
  • afvalpreventie in eigen bedrijfsvoering en bij bedrijven, waarvoor wij het bevoegde gezag zijn, via vergunningverlening, toezicht en handhaving;
  • nuttig hergebruik van afval, waaronder energieterugwinning en materiaalinnovatie (circulair);
  • veilige en schone eindverwerking van afval, waaronder het voorkomen van bodemverontreiniging door stortplaatsen middels nazorg bij stortplaatsen; en
  • een circulaire economie waarvoor vanuit de provinciale opgaven een strategie  wordt opgezet.

Verder volgen we het landelijke afvalbeleid zoals opgenomen in het LAP3, waarbij we de hoeveelheid restafval willen halveren van bedrijven, organisaties en overheden dat vergelijkbaar is met huishoudelijk restafval. Ook willen we de hoeveelheid afval dat de economie ‘verlaat’ via afvalverbrandingsinstallaties en/of stortplaatsen in 2022 ten opzicte van 2012 halveren door afval meer bij hergebruik in te zetten. 

Beleidsinstrumenten

Uit de provinciale doelstellingen blijkt al dat we om onze  doelen te bereiken onder andere vergunningverlening, toezicht en handhaving inzetten. Het LAP3 en ons beleid gebruiken we als toetsingskader bij vergunningverlening aan grote industriële bedrijven en afvalbedrijven en we overleggen met gemeenten over ruimtelijke inpassing van de bedrijven om daarmee toekomstige milieuknelpunten te voorkomen (bijvoorbeeld in vestigingsbeleid en bestemmingsplannen). We vragen bij vergunningverlening garanties over continuïteit van de afvalbedrijven om te voorkomen dat er stagnaties in de doorvoer en verwerking van afvalstromen ontstaan. Met het oog op "zuinig ruimtegebruik" willen we voorkomen dat bedrijfslocaties langdurig aan het gebruik onttrokken worden door het afval dat na faillissement achterblijft.  Ook passen we de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) toe. Hierbij worden de achtergronden van het bedrijf onderzocht en de achtergrond van de aanvrager (integriteitsonderzoek). Door toezicht en handhaving controleren we of de bedrijven de vergunningen naleven en zich houden aan de voorschriften en regelgeving.

Per subthema lichten we onze beleidsdoelen en bijbehorende indicatoren verder toe.